Click to enlarge image...
Maar commissies doen was een kopbrekerij ook, wanneer Baaïl het niet nodig vond een briefje mee te nemen. Dieneken zaliger heeft er in haar winkelken zo dikwijls mee gelachen omdat hij "ne luter sjet en 'n string azijn" kwam kopen voor Marie van Mil. En hij hield bij hoog en bij laag staande dat Marie "ne liter azijn en 'n string sajet" niet gezegd had.
 
Maar om het goed met het slecht te vertellen, vroeger jaren is hij ook serieus en oppassend aan 't werk geweest bij Soedewaal. Bij de kassaars. Als knaap. Toen woonde hij midden in de huizekes van Net Karot, laag van steek en van huishuur... Eigenlijk was Baaïl afkomstig van d'Haa. Van de Groenstraat, de straat die twee gewestspraken scheidt. Aan de westerzijde spreekt men MIER en SCHIP, en langs de overkant MUUR en SCHUP.
 
In 1920 werd zijn gezin met droefheid geslagen. Door ongeval verloor hij zijn elfjarige zoon Lewie. Wij kwamen samen van de meestersschool. Ik moest even bij Schipper om een koppel jongskes voor mijn vader, terwijl Lewieken aan de wuulstok achteraan de hoge hooiwagen bleef hangen. Tussen Janneboeres en Langemie, omtrent vier hektometers nog van de ouderlijke woning, verliet hij om een nog ongekende reden zijne wuulstok en werd onder de auto met nummerplaat H.399 vreselijk vermorzeld.
 
Zijn moeder Virze is haar verdriet nooit te boven gekomen en ook Baaïl is er lange tijd onder de manne van gebleven.
 
Als opvolger van Pië Klaus, Pië van Ossel en Pië den Dobbelen - de drie grote Pië's - is Baaïl in 1947 vaste pozeur geworden. Vroeg of laat, winter en zomer, altijd gereed als er maar op tijd geschaft werd. Nat geschaft. En 's zaterdags natuurlijk boter bij de vis en voor de ganse week. En genoeg. Want hij was zich vlug bewust geworden van zijn zitterskwaliteiten. En terecht. Met dezelfde daguur als in de pluktijd bij Fil van Bernard was hij kontent. En daarbij - hij had er tegen de Grijzen van Mollekes over geboft - dicht bij de deur en meer afgaan om nekeer te heffen. En laat de boeren maar dorsen, had hij er nog bijgezegd.
 
Loo die in zijn huishouden zijn betreurde Virze had opgevolgd, dacht er soms anders over, omdat haren Baaïl haast iedere dag met 'n bees-op in zijn bedde kroop. Dat was geen karot, had ze gezegd. Maar eigenlijk mocht ze toch niet klagen, want met een gebaar van grote edelmoedigheid dat voor zijn Loo zo ongemeend vreemd scheen, gaf hij haar zijn zondagspree volledig terug. En dat ze nu gans het pensioen mocht behouden voor het huiselijk leven. Zolang hij pozeur was, natuurlijk. Dat voegde hij er voorzichtigheidshalve en voorwaardelijk bij.
Eerst "zat" hij voor "olijke boer". Dan volgde "lachende boer" en vervolgens "Jan Druppelmans".Dat doek kostte, buiten het loon. twee volledige kruikjes jenevel. Elke dag rond zes uur eindigde het pozeerwerk. Van één tot zes. En zes keren schaften. Altijd nat natuurlijk. Boterhammen, koekskes of pateekes... nee, van etenwegen was hij niet te spreken. Het moest nat zijn en liefst dat "nat" waarvan hij 't rinse schuim na de weldoende slok nog extra door de schuimende stoppelsnor kon opzuigen.
 
Na zes uur d'een deur uit en d'ander in. Bij Mil van de Chik. Marie een kleintje geus! Van deust! De dagelijkse herbergklanten als de Spriet, Toor van Schaamans, Jef Kalle, Sus Vannimmen, Pinarken, Rik van Reddekes, de Wedde, Fong van Tieres, den Brozen, waren de allereerste nieuwsgierigen voor wie hij aan de toog en in alle ernst, precies zoals op atelier, de verschillende pozeerstanden van de zware namiddag nog eens overdeed. "Déformation professionnelle", gekscheerde Menier Gustaaf, en Toor van Schaamans knikte zachtjes glimlachend alsof hij alléén dat verstond. Rond tien uur kwam Loo hem roepen. Zogezeid om hem plezier te doen, lachte Fong. De gendarmen ! En daarmee probeerde Pinarken onzen Baaïl te treiteren, terwijl hij heimelijk en schalks zijn kleine oogskes dicht toekneep. Onze pozeur veranderde in een lemmeken en 't ene woord niet hoger meer dan 't ander. Want Loo droeg de broek. Overal. Ook op stamenee.
 
Baaïl was gans anders dan al de anderen. Hij was een persoonlijkheid, klein en volks wellicht, maar toch was hij zijn eigen in manieren en doen. Een volkstype. Middelmatig van grootte, eerder klein, opgetrokken schouders, kort van asem van de herfst tot de uitkomen en 't jaar rond weinig eet- en veel drinklust. Aan zijn smalle en toch laaggehaarde stoppelsnor was hij bijzonder goed herkenbaar en in die grijze stoppelharen drong het rode sjop van zijn brede en platte neus. Toch bloosde hij. Ook nuchter. Jan en alleman kende hem ; ook de Ziesdepee die hem altijd vriendelijk toeriep en... waaraan Frans met de moment bezig was ?...? Want de juge noemde hem Frans. Hij alleen. En dat het effenaf schoon was van de Ziesde... hem, Baaïl, zo schoon aanspreken.
 
Zodra thuis met de zak konijneneten in de voormiddag, kwam mijne pozeur naast zijn voordeur tegen de blaftuur aanleunen. Vandaar had hij immers een open kijk op zijn stamenee. Hij had een speciale achting voor "zijn" auto's, dewelke hij verduiveld goed herkende want eens gestationneerd stapte hij in der haast naar de herberg toe. Hij liet altijd de schijn zijn bezoek te kamoefleren als een verrassing, als een louter toeval... o dag menier Louis of menier Albert of menier Leon en beleefd en zijn muts af. Baaïl zou toch een pinteken meedrinken zeker ? En om het overdreven entoesiasme niet te laten blijken haalde hij halfonverschillig de schouders wat hoger, om zijn menier's toch een tikje te laten voelen dat hij het pintje - en hoe meer hoe liever - aannam om hun plezier te doen. Of het gebaar van beleefdheid bestemd was voor de persoon of voor het glas, wist hijzelf niet goed. 't Paste allemaal zeer goed ineen. Maar als de geusbrouwer menier Henri kwam. dan kende zijn wellevendheid geen grenzen. De vrijgevigheid van menier Henri ook niet. En vaak stond onzen Baaïl tegen het pozeeruur al goed in de wind.
 
Toen hij voor "de schenker" begon te werken was hij ook al goed aangewaterd. Voor deze uitbeelding kwam de vrolijke stemming zelfs goed van pas. Dat hij gedronken had... nee die woorden gebruikte hij liefst niet, maar wél... dat hij zich goed had gereed gemaakt. En zo pozeerde hij zowel voor het vroede als het zotte. Voor de genrestukken die naar lambik roken, leek hij toch gegoten. Zo hele namiddagen mogen schenken uit een grote aarden bierkan en om het uur voor echt met goede lambik-van-'t-vat voor hemzelf... haha, en laat de boeren maar dorsen, en lang zullen wij leven. Maar aan 't einde van de zittijd werd hij moe. Op. Ook daarna in 't stamenee liet hij zich trekken om de uitbeelding te repeteren voor de vrienden.
 
Als het mogelijk was deed hij alles maar ook alles wat van hem gevraagd werd. Natuurlijk niet voor niets. En de koffiepot waarmee hij voor de flem "de schenker" nog eens extra had uitgebeeld werd gevuld met twee flessen echte geus. Het ontbrak mijn model nooit aan moed - nu ook niet - en langs de teuten ledigde hij het heerlijk nat.
 
Maar na verblijden komt het lijden. Baaïl had zich die avond fel overschat. Hji viel aan 't zweten en zakte op een stoel naast de leuvense stoof ineen als ne lege houillezak. Direkt in slaap, Vast in slaap. Uit puur amusement hadden ze elk op toer een veeg van 't stoofdeksel in zijn gezicht gewreven tot hij van nek tot oren zo zwart als een neger leek en zijn stoppelmoestache vol plattekees. Sneeuwwit op potzwart. Fong lachte ermee dat het de kleuren van Asse waren. Zo bleef Baaïl in zijne stuik zitten en iedereen had er plezier in en 't vermeerderde naargelang het uur van de "gendarm" naderde. Toor van Schaamans voorspelde onweer voor vanavond. Toor wist veel over 't weer en elkeen noemde hem terecht Toor van 't weerbericht. En hij ging weg juist vóór de storm. Een buiten en een binnen, hadden ze hem aan de deur nog horen zeggen en... Loo stapte binnen... Zichtbaar kontent maar voor niet lang. Fong, den Brozen en Rik van Reddekes deden alsof ze heel serieus aan 't pandoeren waren en Pinarken stond met Kartets aan de toog en Jef Kalle bij de bazin. Allen voorzichtigheidshalve ver van den Baaïl verwijderd. Toen vloog Loo als razend op de neger af, schudde hem zo wild en koleirig dooreen dat hij wakker werd en sleurde hem als een speeldingetje vóór de grote spiegel boven de schouw, terwijl ze godferde en miljaarde en van zwarte smoel en beziet u nu maar goed en vuilaard en smeerl... Het duurde enkele se-konden eer onze Frans zich bewust werd van de toestand en keerde zich beslist tot zijn vrouw en zei kortweg : Looken da-bennekik niet, nieê Looken, ge zift mis. Baaïl meende het. Een paar ogenblikken toch tot wanneer zijn Loo als bezeten op hem toesprong en sloeg en sloeg waar ze hem vuiten kon tot hij door de knieën ging en volledige bekentenissen aflegde dat hij het wél was. Iedereen vond dat het niet schoon was van zijn Loo, Zij heeft trouwens nooit de daders gekend. Van solidariteit gesproken.
 
Daarna zijn de schilderijen "twijfel" en "wantrouwen" gekomen ; mijne pozeur was 's avonds wat voorzichtiger geworden want hij had aan zijn Loo gebiecht dat er de laatste tijd te veel "trakteurs" kwamen.
 
Al sedert de eerste afleveringen van "Schipper naast Mathilde" kende deze T.V.-uitzending al een bijzonder groot succes. De enkele herbergen dewelke een toestel bezaten deden die zaterdagavonden echt gouden zaken. Als goede kermisdagen. En of het nu sneeuwde of regende of bijtend vroor... elkeen trok op. En op tijd. Stameneeganger of niet. De zitplaatsen waren overal vlug bezet ; 't waren trouwens altijd dezelfden die moesten staan, liefst dicht bij de toog. De goede plaatsen v/aren natuurlijk zeer beperkt : goed vóór 't scherm en niet te dicht.
 
Loo had altijd een beste plaats. Ze was natuurlijk een dikke uur vóór tijd en ook een grote pint vooraf... nee, ze verdiende die plaats dik en dobbel.
 
Eens toen ze van een "Schipper" terugkwam om haren Baaïl te gaan afhalen in zijn stamcafee, toen zag z'r blijmoedig en echt kontent uit. De Wedde en Mastelle hadden haar voor de vaste waarheid verteld dat die Schipper een valse baard droeg en dat hij ook Buyl heette juist zoals hare... en ze zei FRANS, Ha, en dat die Schipper als twee druppelen water ... en ze zei OP DEN ONZEN geleek.
De volgende zaterdag ging Frans mee met Loo ; ze had hem verschrikkelijk nieuwsgierig gemaakt. Pinarken had hem zien voorbijtrekken goed geschoren en opgekleed.
 
Na de uitzending kwamen ze nog eventjes bij Mil van de Chik. Dik van fierheid riep hij al van uit het deurgat.., dat zijne KOZZEN het goed had gedaan. Elkeen geloofde in die Buyl-familie tenslotte en terecht.
 
Zekere dag kwam hij meer dan een uur te laat op atelier. Toen ik dreigde dat zijn pree zou herzien worden, bekende hij dat alles de fout was van die smerige "regering". En inderdaad, de diepe grondwerken voor de riolering liepen vlak vóór zijn deur. Soms bekende hij dat hij niet geleerd was. In veel gevallen was die bekentenis niet nodig want men betrapte hem vaak dat hij "het nieuws van de dag" 't onderste boven in zijn handen hield wanneer hij geen houvast had aan foto's. Maar als ge 't jaar vóór d'eerste communie al mee moest om ne stuiver binnen te brengen, en hij noemde het jaar negentig het einde van zijn schoollopen.
 
Na de laatste poze voor "de dronkaard", waarvoor hij mij een unieke uitdrukking schonk, kreeg ik een andere en schonere bewondering voor mijn model. Hij gaf onbewust een wonderbare suggestie. Zijn gezicht, de echte ganse kop van Baaïl zag ik in mijn verbeelding onder het magische licht van Rembrandt's "man met de gouden helm". Als twee druppels water geleek hij op Adriaan van Rijn, maalder en broeder van Rembrandt. Deze had in 1652 gepozeerd voor "de man met de gouden helm", Nog geen week later pozeerde Frans Buyl voor "de man met de koperen helm". In gans de Arteveldestraat te Brussel was er geen gouden te vinden. Bij de eerste herhaling voor belichting en grootte van het doek bleek dat de zware koperen helm nogal te klein was. Wat een teleurstelling. Frans merkte dat ik de moed opgaf en hij ging met de helm onder de arm naar de stamenee. Even later kwam hij tot mijn grote verwondering terug met de helm diep over het hoofd en de uitdrukking van de gevreesde krijger en dat ik mij moest klaar houden en dat hij gereed was. Met zijn goedkeuring had Rik van Reddekes uit volle macht op de helm geslagen. Van zijn linker kaak kroog traag een druppel bloed. Door de ernst tijdens de poze en de hardheid in de uitdrukking op de schilderij-in-wording leek Baaïl zo wonderbaar op maalder van Rijn, dat hij ook bij de stamineevrienden zo ineens een ander ontzag verwierf. Het doek kreeg vorm. En over dat bestrijken met stoofzoet was een spons gevaagd langs beide kampen. De repetitie van de helm-poze - naast een echte reproduktie van Rembrandt's werk - dwong bewondering af, en de trakteurs werkten - volgens Frans - met meer achting.
 
Door die "man met de koperen helm" kreeg hij opslag. Ja, en Pinarken durfde er schelms of jaloers om lachen dat die opslag verkregen werd voor moed en zelfopoffering.
 
Baaïl pozeeerde nog zowel voor "de lacher" als voor "de gelatene", zowel voor de "pessimist" als "olijke boer". Maar 't zou niet lang meer duren. Voor de eerste keer in zijn leven werd hij echt ziek. Nu kon hij niet meer. Vroeger jaren toen hij in 't pakhuis bij Rie van Rikskes had gewerkt, samen met den ouden Tieten, Meites en de Vos van den Bester... toen kon hij ook niet meer... zogezeid volgens Fong, maar in feite mocht hij niet meer van thuis-uit, omdat hij - 't schijnt - te veel in de lambiktonnen "keek".
 
Nee, nu kon hij echt niet meer. Pinarken had zijn plaats ingenomen op de pozeerstoel. Voorlopig, had hij aan Frans beloofd.
 
Hij, Baaïl, de verpersoonlijking van "krakende wielen lopen het langst" met de kortademige hoest elk jaar van bamis tot lichtmis, had het toch twee en tachtig jaren volgehouden. De ouderdom, had de geneesheer nu gezegd, de ouderdom. Hij kwam tegen de blaftuur niet meer leunen om naar zijn auto's te kijken en in de herberg zag men hem niet meer. Hij was bedlegerig.
 
Met twee flessen geus stond ik aan zijn voordeur en Loo kwam wenend in 't deurgat staan en dat zij het haar bekloeg dat z'er op geslagen had... en kon hij nog een goed glazeken drinken en dat hij toch ne keer zattekes mocht zijn... Even later tokte ik de twee flessen tegen de bedsponde. Baaïl schudde traag en zachtjes glimlachend het hoofd, Loo had gelijk. De beste fles lambik lustte hij niet meer. 't Leek echt zonderling. Niemand zou het geloven. Niemand. Hijzelf niet. Datgene wat hij zo betrachtte, zo verlangde, wat hij haast kon omhelzen uit pure liefde, de bron van zijn vreugde, het genot van zijn smaakorgaan... nu zelfs geen laatste medecijn meer. Nog fluisterend kon hij spreken en ik moest even nader komen... en of ik kontent over hem geweest was en of ik - als 't zo ver was - toch zou komen...
 
Twee dagen later was 't zo ver.
 
Volgens onze afspraak was ik gekomen en meegegaan naar 't kerkhof om daar te scheiden van die nederige volksmens Frans Buyl en meteen hem van harte te danken, ook te loven om die grote verdiensten bij
 
Karel de Bauw
 

 
 
Koppen van bij ons:
Baaïl
(Frans Buyl 1880-1962)
 
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1970-3)
 
Een van mijn meest getrouwe en dan ook meest bereidwillige modellen is wel Baaïl geweest. De ontdekking tot dit laat beroep is grotendeels te danken aan het feit dat hij alzeleven 'n vaste en dagelijkse klant is geweest bij Mil van de Chik. Daar was hij er speciaal op gesteld om allerhande "rattekes" te doen, en meteen zo zijn pint - niet zijn brood - te verdienen. En die rattekes bestonden uit korte commissies en lichte werkjes. O, reeds uit de tijd van 14-18 : naar 't komiteit gaan en de pasports niet vergeten, in de bamis overhandedag 't water uit de kelder ophalen, destijds in het duivenseizoen "loper" spelen, in 't duivenlokaal bij de Fluit de constateur afhalen, gaan solesteren hoe menier van Dries gepakt had, ne kuil patatten of twee gaan uitsteken, doodsbrieven ronddragen op de Kalkoven, konijneneten vergaren en vaak verjaagd worden op 't klaverveld, in de nood een berrevat beir of twee uitvoeren, bij Fil van Bernard gaan hoppeplukken. Tientallen soorten karweitjes - liefst van korte duur. Niet te zwaar, te heet of te ver. Altijd gere gedaan, maar... er moest iets aanhangen. Ne faro, ne lambik, ne geus of tussendoor 'n scheut of ne kapper jenevel... Gelijk als 't uitkwam, 't Stak niet. En 't een plezier was 't ander weerd.