Het Gasthuis was toen nog een private onderstand geleid door liefdadige burgers, maar ook en vooral door een religieuze gemeenschap: de zusterkens.
 
Zij werd geboren te Denderbelle de 28ste december 1890. Op de burgerlijke stand werd ingeschreven Maria van den Berghe. Vader werkte thuis op de boerderij en moeder was kantwerkster. Maria was de jongste van zeven. In 1972 stierf haar enig overgebleven en oudste zuster in de ouderdom van 96 jaar.
 
Maria mocht de kloosternaam Liesbet dragen, naam die met het gasthuisleven zal vergroeien en die de betekenis in zich zal dragen van offervaardigheid, bereidwilligheid en trouw: zuster Liesbet. De 28 december zal ze 84 worden en ze spreekt nog op haar Denderbelle's. Ze was ten volle geen 19 jaar toen ze hierkwam en nu na 65 jaren verblijf heeft ze nog geen tijd gehad om degelijk Asse's te spreken.
 
In 1909 was Jozef Schaumans de dienstdoende voorzitter van het liefdadigheidsbureel. De voorzitter Emiel van Innis was ziek en overleed in 1910. De nieuwe voorzitter Henri van Innis werd aangesteld in januari 1911. Dit was de eerste voorzitter waarmee zuster Liesbet kennis maakte. Er waren toen 14 zusters in 't Gasthuis, die niet alleen het interne gasthuisleven verzorgden, maar ook een uitgebreid boerderijwerk beoefenden. Schoven binden op het oogstveld en tienlingen stuiken en helpen inhalen; naar de molen met de bakzak en bakken en boteren; de varkens drenken en mesten en de koeien voeden en melken. De oude Stino was vele jaren de ovenstoker. De hoofdtaak was het uitgebreid gasthuiswerk: wassen, kuisen, strijken en waken. En daar bij de zusters van de naad. Zuster Liesbet bleef meest op de ziekenzaal mensen verzorgen.
 
Om 4 uur begon de dag in 't Gasthuis, want om 4u30 had de zuster van de waak haar ronde af op 't slot. Dat was een lange gang met langs beide zijden de celdeurtjes. Aan elke deur werd geklopt en geroepen "geloofd zij Jezus-Christus". De waakzuster bleef dan aan elke deur luisteren tot ze het antwoord " amen " hoorde, wat zoveel beduidde als "ik ben wakker". Op 't einde van de nachtronde werd er luid gebeld. Juist om 5 ure ging de jongste zuster op 't oksaal bij de bidstoelen, stëen genaamd. Daar brevierden ze samen met voorlezing van 3 punten, waarover daarna gemediteerd werd. Zo verliep het elke morgen over de vier seizoenen, zonder vuur in de winter en voor de verlichting één kaars voor de 14 zusters. Alleen de waak- en koffiezuster mochten hier afwezig zijn. In 1928 bracht E.H. Laurent verbetering voor de wintertijd. In de kerk werd een stoof geplaatst. In 1946 stierf deze weldoener. Zuster Liesbet bewaart een schone herinnering aan mijnheer Laurent.
 
Juist vóór de eerste wereldoorlog werd het Gasthuis getroffen door typhus en schurft. Men betreurde verschillende doden. Moeder Herinckx zei dat zulke perioden zwaar zijn voor een jonge zuster. Een kloostermoeder is net als de eigen moeder, men komt er bij terecht voor lief en leed. Na de dood van moeder Herinckx nam zuster Marghareta de leiding over het Gasthuis. Zo heeft Maria van den Berghe zes moeders gekend in 't Gasthuis, haarzelf inbegrepen. Na Marghareta werd zuster Liesbet verkozen. Zij bedankte voor de eer en 't was zuster Martina die haar plaats innam. Na deze is zuster Liesbet toch moeder overste geweest. Eén jaar.
 
De zon- en donderdagen waren bezoekdagen voor de zieken. De portier liet de bezoeker wachten tot de verantwoordelijke zuster verscheen. Dat was meestal zuster Liesbet. Daar stond ze dan voor u, één en al leven, naar de kleine kant, recht op de leen en vlug in de beweging. Daarbij zwarte fonkelende oogskens, blozende wangen en een blijvende glimlach. En ge hebt haar portret in vragende houding. Als ge nu uw voeten rap oppakt kunt ge haar volgen. In de ziekenzaal wist ge seffens de toestand van uwe zieke.
 
In 1947 werkte ik van de lente tot de herfst in 't Gasthuis. Mijnheer De Groeve was er toen pastoor. Een fijn gekultiveerde mens. Zuster Liesbet leidde mij bij hem en met ons gedrieën bezochten wij het ganse huis. Mijn schildersezel werd geïnstalleerd. Dagelijks mocht ik nu mijn vieruurtje samen met mijnheer pastoor genieten. Zuster Liesbet maakte dat zorgvuldig klaar. Slechts één jaar is De Groeve er geweest. Hij stierf einde 1947. Maar gedurende die twee seizoenen is hij getuige geweest van alles wat ik in het Gasthuis maakte.
 
Met het octaaf van heilige Blasius had zuster Liesbet dubbel werk. Het begint op 3 februari en duurt tot de elfde. "Blauzarus" zeggen de mensen van bij ons. Het lof was vroeger om drieënhalf. De relikwie werd door de gelovigen gekust. Het was een stukske van het been van de H. Blasius dat in het kerkje door zuster Liesbet werd aangeboden met de woorden: door de voorspraak van de Heilige geneest God u van keelpijn en andere kwalen. Elkeen kreeg dan gratis een madoilleken met de beeltenis van de weldoener erop om op de borst te hangen. In ruil daarvoor legden de gelovigen wat in de schaal.
 
Zuster Liesbet heeft vele kloostergenoten gekend. Van allen die reeds in de hemel zijn bewaart zij een schone herinnering. Ze spreekt er graag over. Er komt wat vocht in haar ogen. Waar is de tijd dat zuster Juliana biddend in ons kerkje zo schoon werd uitgeschilderd. Ze klopt mij op de schouder en glimlacht. Schone ogenblikken beleefde zij aan het sterfbed van zuster Gudula met de laatste woorden: O.L.Vrouw, wat zijt gij schoon, kom mij halen. 't Ligt allemaal zo fris in haar geheugen. Zij denkt aan haar boezemvriendin, zuster Scholastica, die ze moederlijk verzorgde tot ze aan haar zona-kwaal overleed. Wanneer zij het heeft over het oksaaltje glimlacht ze. Zuster Margareta kon zo fijn het orgel bespelen. Zuster Sofia ook. Als die twee afwezig waren nam zuster Liesbet zelf het klavier. Nu hoort ze de mooie stemmen nog van zuster Martha, zuster Antonia, zuster Monica, zuster Michael, zuster Francisca, maar ook zuster Scholastica. En daartussen het kinderstemmeken van zuster Liesbet. Zij zegt het zelf.
 
Achter de muren van het Gasthuis was alles in beweging. Er was leven binnen en buiten. Allerhande mooie bloemenperken sierden de binnenkoer. Peken Lewie De Wever, oudhovenier van Caytan, was nu de tuinman van 't Gasthuis. Marieken Boon naaide, breide en stopte voor Jan en alleman. Ze had hiervoor haar eigen vertrek in de rechtervleugel. En Lot van Walfergem schilde de patatten in datzelfde vertrek midden antieke meubelen en koperen kandelaren. Daar werd de godganse dag gelameerd over het slecht karakter van d'anderen. Haar werkplaatsken heeft Marieken voor mijn werk afgestaan. Zonder monken.
 
Het vuilste werk bij de zusterkes was voor de jongsten. Maar als er ne klant binnengebracht werd waar géén hand aan te steken was en waarmee de jonge zusterkens gene weg wisten, dan werd er lotje getrokken tussen zuster Scholastica en zuster Liesbet. Gielen Zwak kwam in 't putteken van de winter vervrozen binnen met hoge buis en lage pit en door gendarmen voorgeleid. Dat was een zwaar geval. De Sjat moest twee maal geschroebd worden, nadat hij bewusteloos was binnengebracht. Twee dagen later was hij proper gewassen en geschoren uit het Gasthuis gevlucht. En die vluchteling uit Wervik die zich had opgehangen en door zuster Liesbet op het nippertje gered door kunstmatige ademhaling. Peins toch ne keer. En al die pottepees dan.
 
Toch laten de meesten schone herinneringen. Ze noemt de Meutten van d'ezelstoet, Waaiske Pruis, Onsheerken, Lange Rie, Kola, de Dikke Bille, Marieken Boon, Lot, Amelieken Vos, Mieke Smedt en nog zo veel.
 
Ze kan nog al de schilderijen opnoemen hier ontstaan: "de schoonmaak", met Marieke Boon en hare bezem als model, "aan de gasthuisgevel" met Lot, Mieke Smedt en Marieke Boon en lange Rie door 't venster boven, "de stopster" met Marieke Boon in een mooi gasthuisinterieur, "portret van de portier", "de zuster bij het raam" met zuster Juliana in de prachtige slotkamer, "biddende zuster in de gasthuiskerk" ook met zuster Juliana, "portret van Mieke Smedt". En al die tekeningen.
 
Zuster Liesbet praat graag over haar oudjes maar liefst over Waaiske Pruis, die haar zovele liedjes leerde, 't Was een gedienstig en vrolijk manneken. De zingende Pee, zeiden d'anderen. Luister:
 
Sinte  Pieter
 
Sinte pieter goeie man
Die zijn broodken niet winnen kan
Hij ging naar zijn kapelleken
Hij langde daar een velleken
Hij  ging naar zijn schapraaiken
En langde daar een vlaaiken
'k Heb  hier geweest
'k Heb daar geweest
'k Heb  alle  kapellekens  afgeweest
Hier ewa roeë
Daa ewa blaë
'k Wou da'k nog een witteken haa.
 
Ze zingt het met voldoening, maar luister naar een ander schoon lied van Waaiske Pruis:
 
Sneller dan een schip kan varen
Viegt den besten tijd der jeugd
Daarom stap in d'eerste jaren
Op de rechte weg  der deugd.
O mijn kinderen,  al is  't lastig
Blijf  toch in  de  deugd  standvastig.
 
Met deze strofen zong zuster Liesbet haar zelfportret.
 
In 't oude Gasthuis is het stil geworden. Alle leven is er uit. De keukengeuren en de bloemenkleuren ook. Er is geen zondagsmis meer in het kerkje. Pater Snacken heeft de laatste mis gedaan. Nog zes overgebleven zusters zijn naar 't nieuwe rusthuis vertrokken met mijnheer pastoor. De pekens en mekens ook. Ziel en vroomheid zijn in 't oude gebleven. De eeuwenoude meubelen, de prachtige schilderijen en beelden, de kandelaars en de gewaden, de boeken en de prenten en de apoteek... alles is geborgen in nieuwe diepe kelders achter slot in de donkerte, geduldig wachtend op een andere goede tijd om de glans opnieuw te laten stralen.
 
Ook zuster Liesbet vindt ge nu in 't nieuwe rusthuis Hingeheem. Ge laat haar roepen. Zij herkent u en ge volgt haar naar de spreekkamer naast de ingang. En ze zegt dat het hier ruim en net en proper is. En warm. En blinkende kasten en stoelen en tafels. En schone muren en vensters en veel licht. En ze vraagt uw gedacht niet. Ge kijkt met haar door 't venster buiten naar 't oude Gasthuis toe, waar ze 65 jaar geleden toekwam de 8ste september van het jaar 1909 op onze lieve vrouwdag. Ze ziet het klokkentorentje boven het kerkje waaruit vroeger alle kwartieren de tijd sloeg. Die klank regelde ieders werk. Zuster Liesbet probeert haar herinnering vrije teugel te laten. Ze vertelt graag aan iemand die luistert en begrijpt. En zij kan vertellen.
 
Zij alleen kent de boeiende geschiedenis van haren ouden thuis. Ze heeft heimwee; 't staat in haar ogen te lezen. O weet ge 't nog. En ze brengt u opnieuw tot het zalig vieruurtje dat ze voor pastoor De Groeve en uzelf klaarmaakte, 't Was in de schilderijenperiode van 1947. Ge schijnt met haar naar de prachtige keuken te gaan en ze probeert de massa delftse tegels uit te leggen. Ge groet moeder en zij wisselt een vlug zotternijken met zuster Scholastïca, Het ruikt lekker bij het grote fornuis en ge komt langs het antiek portaaltje in het schemerdonker van het kerkje. Ge knielt met haar, kijkt naar de zeldzame preekstoel en daarboven naar het wijdopenstaande grote raam van het oksaal. Dan draait ge rond de pilaar van de H. Blasius en ge komt in de grote refter... dat is het portret van een overleden moeder en dat nog een meubel uit Hulst. Ge staat verbaasd over de blinkende kraaknetheid. Zuster Liesbet streelt even de witte voeten van O.L.Heer om uw aandacht te vestigen op het mooie beeld.
 
Buiten op de bank zitten Marieke Boon, Mieke Smedt en Lot in 't zonneken. Ze heeft een schertsende kwinkslag voor Marieken Boon, die antwoordt met een heimelijk monkellachje. Wij zijn al in de ziekenzaal. Ze schuift een paar potstoelen uit de weg, trekt het kusseken van "de dikke Bille" even op, gaat Amelieken beter toedekken en heeft een troostend woordeken voor elkeen. Achteraan bij de pekens is het al pijp en toebak. Dag Lewie, lange Rie, Waaisken en tegen de twee laatsten die gisteravond smoordronken binnenkwamen ook ne goeien dag. En hier de plaats voor de onevenwichtigen. Die worden door een klein openingske gevoed. De pekens zeggen daar het zothuis tegen. Wij gaan het vertrekje van Marieke Boon even binnen. Op het biezen stoeleken ligt haar breiwerk nog. Wij groeten mijnheer pastoor en betreden daarna de grote ontvangstkamer van de heren van de COO. Langs de trap naast de kerk komen wij op het slot. In de hoek hangt het klokzeel. Het luiden was ook zusterswerk. In de andere hoek staat nog de stoel waarop zuster Juliana pozeerde. Ge wilt achter u de deur opentrekken maar zuster Liesbet verbiedt dat. Neen neen, daar zijn de cellen van de zusters, toegankelijk voor de zusters alleen.
 
Wij keken verder door 't raam van Hingeheem naar buiten. Naar 't oude Gasthuis. Heimwee staat in haar ogen. Zuster Liesbet schudt lichtjes het hoofd, 't Is een zwaar leven geweest maar een gelukkig leven. Het kloosterleven is enig. Daar toch. Tevreden vertelt ze dat de zusters taart en peperkoek kregen met jubilee en professing. Vijf keren in haar leven is ze naar haren thuis in Denderbelle geweest na een berechting in het gezin. Nu zijn we allen naar hier gekomen om ons te verbeteren; maar de ziel is achtergebleven, ook de devotie met O.L.Heer en O.L.Vrouw. Ze kan nog nuttig zijn. Ze zegt dat al wie iets wil weten tot haar mag komen. Pater Spanhove kwam ook vaak bij haar. Of er in godsnaam niets kan gedaan worden om die brave man opnieuw naar hier te halen uit Bree. Zuster Liesbet filozofeert. Ze looft het praktische leven en de verfijnde techniek, maar treurt over de teleurgang van de schone natuur en menselijke waarden. Is zij gelukkig? Meermaals verlangde ze opnieuw naar 't oude. Nu gaat het beter. Toch doet ze een bekentenis. Ze heeft geen "moeder" meer en heeft de indruk te leven als iemand die hertrouwd is.
 
Zuster Liesbet, uwe geest blijft doorheen het oude gasthuis zweven als een heilige aanwezigheid. De achtste september 1974, dag dat gij 65 jaar in 't Gasthuis zult zijn, die dag staat in het notaboekje van
 
Karel de Bauw
 

 
 
Click to enlarge image...
Koppen van bij ons:
Zuster Liesbet
(Maria Van den Berghe)
 
door Karel de Bauw
(uit tijdschrift Ascania 1973-4)
 
De achtste september 1909, dag van de geboorte van O.L. Vrouw, vroeger jaren landelijk gevierd, dag waarop het landbouwersalaam rustte waarvan de hopboeren gebruik maakten om het latwerk van hun hopeest boven in de ast klaar te maken om de rijke vracht hoppebellen tijdens de komende dagen te kunnen drogen, dag ook van nazomerse tevredenheid om de last en de vreugde van de komende hoppepluk te beleven... op die dag van O.L.Vrouw's geboorte, stapte zuster Liesbet de wijdopenstaande poort van het O.L.Vrouw-gasthuis voor de eerste keer binnen. Een wonderbaar toeval. Toen ging de poort achter haar voorgoed dicht, want de achtste september van dit jaar 1974 zal zuster Liesbet precies 65 volle jaren in het Gasthuis zijn.